Wie heeft op mijn kop gepoept?

Boekentip

‘Over een kleine mol die wil weten wie er op zijn kop heeft gepoept’, van Werner Holzwarth en Wolf Erlbruch is een leuk boek wanneer je kind in de poep- en plasfase.

Woorden als poep en plas worden in deze fase regelmatig gezegd. Alleen of met vriendjes bedenkt je kind poep/plasliedjes of creëert combi woorden, zoals poephoofd, drollentaart, plassoep. Hilarisch vindt je kind dit. Deze onderbroekenlol heeft een functie.

Het heeft te maken met grenzen zoeken. Je kind weet heel goed dat het geen nette woorden zijn. Hij wil kijken tot hoe ver hij kan gaan en hoe je erop reageert. Soms kan jezelf je lach niet inhouden en wordt je meestal toch niet erg boos, waardoor het veilig voor je kind is om hierin te experimenteren.

Lekker stout zijn met poep/plasgrappen. Vriendjes en oudere brussen kunnen ook de aanstichter zijn van deze onderbroekenhumor. Samen onderzoeken wie het durft en daarna de slappe lach hebben. Je kind is zijn eigen grenzen aan het testen.

Deze vieze-woorden fase begint wanneer je kind een jaar of 2,5 à 3 jaar is en gaat in veel gevallen gelijk op met zindelijk worden. Jullie gesprekken gaan over poepen en plassen. En wanneer je kind op het potje geplast heeft, sta je te juichen. Er wordt veel aandacht besteed aan de zindelijkheid en dat merkt je kind op. Het is voor hem dan ook verwarrend wanneer hij niet zijn broodje pindakaas als broodje poep mag benoemen, en jij wel juicht als hij gepoept heeft.

Hoe ga jij als ouder met deze fase om? Negeer je het zoveel mogelijk, of maken jullie afspraken erover, of lach je mee en bedenk jezelf een combi woorden, of doe je iets anders?

Een ouder zette de kookwekker op 5 minuten. Binnen deze minuten mochten de kinderen zoveel mogelijk vieze woorden bedenken en zeggen. Vaak stopten de kinderen eerder dan die 5 minuten.

Weet dat deze vieze woordenfase over gaat. 😉